{"id":174438,"date":"2016-11-23T22:04:05","date_gmt":"2016-11-24T03:04:05","guid":{"rendered":"http:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/offshore-wikipedia\/"},"modified":"2016-11-23T22:04:05","modified_gmt":"2016-11-24T03:04:05","slug":"offshore-wikipedia","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/offshore\/offshore-wikipedia\/","title":{"rendered":"Offshore &#8211; Wikipedia"},"content":{"rendered":"<p><p>    Offshore (Engels: weg van de kust), ook wel als    buitengaats of aflandig aangeduid, is de    aanduiding van activiteiten die plaatsvinden op enige afstand    van de kust, meestal gericht op exploratie en winning van olie    en gas, maar in toenemende mate ook van windenergie en    aquacultuur. Het is onder te verdelen in een mijnbouwdeel met olie- en    gasplatforms en een maritiem deel, zoals    duikondersteuningsschepen, platformbevoorradingsschepen,    pijpenleggers en kraanschepen. De offshore begon vlak na de    Tweede Wereldoorlog, aanvankelijk vooral in de Golf van Mexico    in ondiep water. Tegenwoordig vindt onder druk van de afnemende    beschikbare hoeveelheid olie dicht bij de kust een verschuiving    plaats naar diep water.  <\/p>\n<p>    Onder offshoretechniek wordt verstaan het ontwerpen,    construeren en plaatsen van kunstwerken die dienstdoen bij    industrile processen of publieke voorzieningen en de    exploratie en winning van olie en gas op zee.  <\/p>\n<p>    Exploratie bestaat uit meerdere fases. Aanvankelijk begon dit    met geologische    opsporing, waarbij vooral oppervlaktegegevens worden    genterpreteerd. In het midden van de jaren twintig van de    twintigste eeuw waren alle aan de oppervlakte liggende velden    in de Verenigde Staten in kaart gebracht en had men andere    methoden nodig om dieper gelegen velden te vinden. De methodes    van deze geofysische opsporing die op zee    bruikbaar zijn, zijn seismiek, gravimetrie en magnetisch    onderzoek, dat wordt uitgevoerd met onderzoeksvaartuigen.    Bij veelbelovende aanwijzingen wordt een exploratieconcessie    aangevraagd om daarna proefboringen te doen. Deze exploratieboring    moet uitsluitsel geven of een formatie werkelijk olie of gas    bevat. Dit vakgebied is de petrofysica. Deze proefboringen worden in    ondiep water uitgevoerd door hefeilanden en in diep    water door boorschepen en half-afzinkbare    platforms. Met behulp van structurele geologie wordt daarna de    omvang van een olie- of gasvoorkomen vastgesteld. Als die    voldoende is, kan een oliemaatschappij besluiten tot winning    over te gaan. Hiervoor worden productieputten geboord.  <\/p>\n<p>    Al aan het einde van de negentiende eeuw werd in Californi,    waar veel olie op natuurlijke wijze naar de oppervlakte lekt    (seeps), net uit de kust gebouwd vanaf pieren in    olievelden aan de wal die zich voortzetten in zee. Begin    twintigste eeuw werd ook begonnen met boren naar vooral gas in    het Eriemeer,    voornamelijk aan de Canadese kant. Enkele jaren later werd ook    in het Caddomeer op de grens    van Louisiana en Texas geboord vanaf houten platforms. In    Venezuela werd vanaf de jaren twintig in het Meer van    Maracaibo naar olie geboord, terwijl in de jaren dertig    werd begonnen in de Kaspische Zee.  <\/p>\n<p>    In de jaren twintig van de twintigste eeuw gebruikte men in de    moerassen, meren en baaien van Louisiana de houten platforms om    vanaf te boren. In deze overgangszone onder invloed van het    getij begon Chevron gebruik te maken van bakken om het materiaal sneller te    kunnen verplaatsen. Ter plekke liet men deze afzinken tot op de    bodem van het ondiepe water om daarna te boren. De eerste bak    die op deze manier te werk ging, was de Giliasso,    genoemd naar Louis Giliasso die dit idee had ontwikkeld. De    stabiliteit van deze bakken was echter    beperkt, zodat de waterdiepte waarin dit gebruikt kon worden,    beperkt was tot zo'n drie meter. In 1937 lieten Pure Oil en    Superior Oil door Brown & Root het tot    dan toe grootste platform van de Golfkust bouwen, nog steeds    van hout. In 1946 bouwde Brown & Root een platform met    stalen palen voor Magnolia Petroleum.  <\/p>\n<p>    Dit was echter allemaal dicht bij de kust. Begin 1947 liet    Superior 18 mijl uit de kust bij Vermilion    Parish een platform bouwen. Een platform van Kerr-McGee wist    echter in oktober enkele maanden voor Superior een olieput in    productie te brengen. Dit gebeurde in Ship Shoal Block 32 voor    de kust van Louisiana in de Golf van Mexico met Rig 16    aan boord van de Frank Phillips. Dit wordt wel beschouwd    als het begin van de offshore-industrie.  <\/p>\n<p>    In de jaren vijftig verplaatste de boring zich naar steeds    dieper water en werden eerst bakken en tenders  kleine    scheepsvormige bakken  gebruikt. Later werden platforms    gebruikt die naar locatie werden gesleept en daarna afgezonken    tot ze rustten op de zeebodem. Deze afzinkers waren een idee    van John T. Hayward die voor Barnsdall Oil & Gas werkte.    Hierbij werden de voordelen van bakken gecombineerd met die van    platforms op palen. Door op de bakken kolommen te plaatsen met    daarop het werkdek was de invloed van de golven beperkt en had    men toch een verplaatsbaar platform. De eerste was de Breton    Rig 20, die in waterdieptes tot 6 meter kon werken. Nadat    olie-exploratie in de Golf stil had gelegen van 1950 tot 1953    vanwege de Tidelands    controversy, begon Alden J. Laborde zijn eigen bedrijf        Odeco om met financiering van Murphy    Oil een nieuw type afzinker te bouwen dat geschikt was voor    dieper water. Dit platform, de Mr. Charlie, kon in    waterdieptes tot 12 meter werken. Dit rechthoekige type werd    snel populair, maar ook snel daarna vervangen door de ultieme    afzinker  het kolomgestabiliseerde platform of flessentype,    waarvan de eerste Rig 46 was van Kerr-McGee in 1956. Dit    type kon boren in waterdieptes tot 55 meter.  <\/p>\n<p>    In waterdieptes verder uit de kust konden ook deze platforms    echter niet meer aan het werk. Al in de jaren dertig werd    gebruikgemaakt van hefeilanden voor    constructiewerkzaamheden op zee en ook bij de landingen in    Normandi tijdens D-Day werd hier gebruik van gemaakt. In 1950    liet Leon B. DeLong een aantal hefeilanden bouwen voor    radarinstallaties in waterdieptes van 20 meter. De mobiliteit    was een groot voordeel en in 1954 lieten meerdere bedrijven    hefeilanden bouwen, waaronder Rig No. 51 van The    Offshore Company en Mr. Gus van Glasscock Drilling.    Tegenwoordig kan er met hefeilanden in waterdieptes tot 120    meter geboord worden.  <\/p>\n<p>    De eerste half-afzinkbare platform werd    per ongeluk uitgevonden in 1961. Blue Water Drilling Company bezat de uit vier    kolommen bestaande afzinkbare Blue Water Rig No.1,    gebouwd in 1957. Ze    gebruikten deze voor Shell Oil Company in de Golf van Mexico    om in 25 meter diep water te boren met het onderste deel van de    romp op de bodem. Omdat de pontons niet genoeg drijfvermogen hadden om het totale    gewicht van het rig te ondersteunen werd het naar    locatie gesleept op een diepgang tussen de bovenzijde van de    pontons en de onderzijde van het dek. Men merkte op dat de    bewegingen veroorzaakt door de deining op deze diepgang gering    waren vergeleken met conventionele schepen. Blue Water Drilling    en Shell besloten gezamenlijk het platform drijvend te    gebruiken voor boring.  <\/p>\n<p>    Sindsdien worden half-afzinkbare platforms specifiek ontworpen    voor de offshore industrie. In 1963 werd het eerste echte half-afzinkbare platform    gebouwd, de Ocean Driller van Odeco.[1] De    grootste ramp met een half-afzinkbaar platform was het    kapseizen van de Ocean Ranger, ook van Odeco, tijdens een    storm op 15    februari 1982 op de    Atlantische Oceaan, 315 kilometer    zuidoost van St. John's bij de    Grand    Banks, waarbij alle 84 bemanningsleden omkwamen.  <\/p>\n<p>    Waar de waterdiepte in de Golf van Mexico geleidelijk toeneemt,    is deze bij Californi al dicht bij de kust te diep voor    platforms die op de zeebodem rusten. Om ook in deze wateren te    kunnen boren, begon Shell in 1948 een consortium met    Continental, Union en    Superior    (CUSS). In 1953 begonnen ze met proefboringen vanaf de    verbouwde Submarex. Hierbij werd geboord vanaf een    boorvloer over de zijde, wat problemen gaf met de slagzij.    Hierop werd de CUSS I gebouwd, die boorde door een    moonpool in de    midscheeps. De CUSS I kon op ankers boren in    waterdieptes tot ruim 100 meter.  <\/p>\n<p>    De CUSS I werd overgenomen door Global Marine, die    ook een serie grotere boorschepen liet bouwen. Bij grotere    waterdieptes werd ankeren problematisch, en daarom maakte de    CUSS I in 1961 tijdens Project Mohole  een poging om door    de aardkorst te    boren in de Mohorovii-discontinuteit     gebruik van schroeven om op positie te blijven bij een    waterdiepte van zo'n 3500 meter, het begin van dynamic    positioning. Desondanks maken nog veel boorschepen en    semi-submersibles gebruik van ankersystemen, die lichter zijn    geworden door over te stappen van kettingankers naar    draadankers en zo bruikbaar zijn tot zeker 1500 meter en met    vooraf geplaatste ankers tot nog minstens 1000 meter dieper.  <\/p>\n<p>    De ontwikkelingen op de Noordzee begonnen pas later, mede door de    zwaardere weersomstandigheden, maar vooral omdat gedacht was    dat er niet voldoende olie en gas te winnen zou zijn. Daarnaast    ontbrak internationale regelgeving over de verdeling van het    continentaal plat. In 1958 werd het UNCLOS I verdrag (tegenwoordig    onderdeel van het VN    Zeerechtverdrag) afgesloten. In 1964 trad het in werking, zodat het continentaal plat van de Noordzee    verdeeld werd tussen de aangrenzende landen. Op 29 mei 1959 werd in Kolham de Slochterse gasbel ontdekt,    waarmee het vermoeden rees dat ook in de Noordzee aardgas zou zijn te vinden.    Op 17    september 1965 boorde    het hefeiland Sea    Gem gas aan in de BP-concessie, om slechts    enkele dagen later te kapseizen. De zware weersomstandigheden    vereisten een aanpassing van de gebruikte technologie om veilig    te kunnen werken.  <\/p>\n<p>    Op 6 oktober    1973 brak de Jom    Kipoeroorlog uit, waarna de OPEC een olie-embargo instelde voor de    Verenigde Staten en Nederland, wat    leidde tot de oliecrisis van 1973. Dit bleek een    enorme stimulans voor de offshore-sector, vooral op de    Noordzee.  <\/p>\n<p>    Tegenwoordig is de offshore-industrie wereldwijd bezig met de    exploratie en winning van olie en gas. Daarbij worden de Golf    van Mexico, Brazili en West-Afrika wel gezien als de gouden    driehoek, waarbij steeds meer de nadruk komt te liggen op    diepwater ( 300 tot 2400 meter) en ultra-diepwater (meer dan    2400 meter).  <\/p>\n<p>    De ontwikkeling van een olieveld bestaat uit meerdere    onderdelen, waarvan het platform de meest zichtbare is, hoewel    er ook velden zijn die geheel uit onderzeese    installaties bestaan, zoals Ormen    Lange. Daarnaast heeft een veld een infrastructuur, zoals    olie- en gaspijpleidingen, waterinjectieleidingen,    elektriciteitsleidingen en onderzeese installaties die    aangelegd moeten worden. De constructie van platforms gebeurt    grotendeels op werven aan de wal. De manier waarop deze daarna    genstalleerd worden is onder andere afhankelijk van de grootte    en de waterdiepte.  <\/p>\n<p>    Met behulp van lanceerbakken kunnen    jackets en compliant towers worden gelanceerd. Om kosten te    reduceren nadat in 1986 de olieprijs was gedaald, werden    jackets ontworpen die met een kraanschip konden worden    genstalleerd. Omdat deze jackets niet ontworpen hoeven te    worden voor de krachten die tijdens het lanceren optreden,    kunnen deze lichter uitgevoerd worden dan gelanceerde jackets.    Zwaardere jackets en compliant towers worden echter nog steeds    gelanceerd.  <\/p>\n<p>    Om op zee te hijsen, kan gebruik worden gemaakt van meerdere    opties. Drijvende bokken werden al vroeg    gebruikt. De komst van grote kraanschepen maakte constructie goedkoper.  <\/p>\n<p>    De grootste kraanschepen worden gebruikt voor    constructiewerkzaamheden in de offshore. De grotere schepen    zijn vaak half-afzinkbaar, maar ook    conventionele scheepsvormen (monohulls) worden gebruikt.    Het verschil met een drijvende bok is dat de kranen kunnen    roteren.  <\/p>\n<p>    In 1949 liet J. Ray McDermott de Derrick Barge Four    bouwen, een bak die uitgerust was met een 150 ton roterende    kraan. Met het verschijnen van dit soort schepen veranderde de    offshoreconstructie. In plaats van constructie in delen, kunnen    jackets en dekken als modules aan de wal worden gebouwd. Voor    gebruik in het ondiepe deel van de Golf van Mexico voldeden    deze bakken voorlopig.  <\/p>\n<p>    In 1963 liet Heerema een Noorse tanker, de Sunnaas, ombouwen tot    het eerste kraanschip  met een capaciteit van 300 ton  in de    offshore dat een echte scheepsvorm had, waarna het werd    omgedoopt tot de Global Adventurer. Dit type kraanschip    was beter geschikt voor de weersomstandigheden op de Noordzee.  <\/p>\n<p>    Het in 1967 opgerichte    Netherlands    Offshore Company bracht in 1978 het eerste half-afzinkbaar kraanschip in de    vaart, de Narwhal. Vanwege financile problemen werden    de schepen van NOC verkocht aan McDermott,    waarmee het bedrijf ophield te bestaan.  <\/p>\n<p>    In datzelfde jaar liet Heerema ook twee half-afzinkbare    kraanschepen bouwen, de Hermod en de Balder, elk met n 2000 shortton en n 3000 shortton kraan. Later    hebben beide overigens een upgrade gekregen, zodat ze nu een    grotere capaciteit hebben. Dit type kraanschip was veel minder    gevoelig voor zeegang en deining, waardoor ook gedurende de    wintermaanden kon worden gewerkt op de Noordzee. De grote    stabiliteit laat ook toe dat er    zwaarder getild kan worden dan met een monohull. De grotere    werkbaarheid en capaciteit van de kranen bracht de    installatietijd van een platform terug van een heel seizoen    naar een paar weken. Waar de topside van een platform    daarvoor opgebouwd moest worden uit vele kleine delen, kon deze    nu veelal in een keer geplaatst worden, waardoor de totale    constructie lichter uitgevoerd kon worden en een groter deel    van het werk aan de wal plaats kon vinden en dus goedkoper was.  <\/p>\n<p>    Genspireerd door dit succes werden gelijksoortige schepen    gebouwd. In 1985 kwam de DB-102 in de vaart voor    McDermott, met 2 kranen met een capaciteit van 6000 ton elk.    Micoperi liet de M7000 bouwen in 1986 met twee kranen    van 7000 ton elk.  <\/p>\n<p>    Midden jaren tachtig was de hausse in de offshore echter over. De prijs van    een vat olie daalde tot onder de $10 waardoor investeringen    vrijwel tot stilstand kwamen en samenwerking gezocht moest    worden. In 1988 werd een joint venture tussen Heerema en McDermott    gevormd, HeereMac. In 1990 moest Micoperi een faillissement    aanvragen. Dat gaf Saipem  in het begin van de jaren zeventig    nog een grote speler in de offshoreconstructie, maar eind jaren    tachtig nog maar marginaal aanwezig  de kans om in 1995 de    M7000 over te nemen. In 1997 nam Heerema de    DB-102 over van McDermott na beindiging van de joint    venture.[2] Het schip werd omgedoopt in    Thialf en na een upgrade in 2000 tot    tweemaal 7100 ton is het het grootste kraanschip ter wereld.  <\/p>\n<p>    Voor dekken met gewichten die kraanschepen niet aankunnen of    wanneer deze niet beschikbaar zijn, wordt gebruikgemaakt van    bakken voor float-overs. Het gaat hierbij over gewichten van    enkele tienduizenden tonnen. De bak wordt hierbij tussen de    poten van het jacket gebracht en daarna geballast totdat het    overhangende dek op het jacket staat.  <\/p>\n<p>    Gravity based structures    worden met behulp van sleepboten naar locatie gebracht, waarna    ze geballast worden tot ze op de zeebodem rusten. Deze techniek    is vooral veel gebruikt in Noorwegen, waar veel platforms van    het condeeptype    staan. Ook drijvende platforms als FPSO's, TLP's,    semi-submersibles en spars worden naar locatie gesleept om daar    vervolgens afgemeerd te worden.  <\/p>\n<p>    De infrastructuur van een veld bestaat naast een of meerdere    platforms uit olie- en gaspijpleidingen,    waterinjectieleidingen, elektriciteitsleidingen en onderzeese    installaties.  <\/p>\n<p>    Hoewel ook de kleinere leidingen en installaties door de grote    pijpenleggers en kraanschepen worden aangelegd, wordt dit vaak    gedaan door zogenaamde Offshore Support Vessels. Deze    zijn uitgerust met een kraan die vaak enkele tientallen tot    honderden tonnen kan tillen, dan wel met een A-frame waarmee    installaties op de zeebodem kunnen worden uitgevoerd.  <\/p>\n<p>    In ondiep water wordt in de Verenigde Staten ook gebruikgemaakt    van liftboten, bootjes met    eigen voortstuwing die zich kunnen opheffen zoals een hefeiland    en meestal uitgerust zijn met een kraan.  <\/p>\n<p>    Bij onderzeese pijpleidingen voor een    platform wordt onderscheid gemaakt tussen de leidingen waarmee    de olie en gas uit diverse putten naar het platform wordt    getransporteerd  de tie-backs  en die waarmee het na    behandeling naar de wal wordt getransporteerd  de    exportleidingen. Export kan ook met behulp van een shuttletanker,    maar vindt vaak plaats met behulp van een pijpleiding.    Deze worden gelegd met behulp van bakken waarvan de ankers    continu verplaatst worden door ankerbehandelingssleepboten.    Tegenwoordig zijn de grootste pijpenleggers schepen en voorzien    van dynamic positioning. Er zijn verschillende methoden om pijp    te leggen. Bij S-lay verlaat de leiding het schip horizontaal,    bij J-lay verticaal. Bij reel-lay wordt de pijp gelegd vanaf    een grote spoel.  <\/p>\n<p>    Waar hefeilanden en boorschepen vooral gebruikt worden voor    proefboringen en om de uiteindelijke putten te boren, kunnen    deze na voltooiing daarvan vertrekken. Na installatie van een    productieplatform  die vaak    booreilanden worden genoemd, hoewel de meeste niet kunnen boren     wordt de winning daarmee voortgezet. De beweging naar steeds    dieper water heeft een scala aan platforms opgeleverd. Bij    grotere waterdieptes werden de normale jackets te groot en    zwaar om economisch nog haalbaar te zijn. Waar deze jackets    stijf zijn ontworpen om alle weersomstandigheden te kunnen    weerstaan, werd voor grotere waterdieptes overgestapt op    buigzame constructies, compliant towers die meegeven    en daardoor lichter gebouwd kunnen worden. Voor nog grotere    waterdieptes ging men over naar drijvende platforms:[3]  <\/p>\n<p>    In de Verenigde Staten moet van de MMS    een platform binnen een jaar na het buiten gebruik stellen    worden verwijderd, tenzij gebruik wordt gemaakt van het    alternatief volgens de Rigs-to-Reefs-wetgeving.    In Europa was het dumpen van afval vanaf schepen en vliegtuigen    aan banden gelegd door de Oslo-conventie    van 1972, die later is vervangen door het OSPAR-verdrag.    De Brent    Spar-affaire zorgde voor een aanscherping van dit verdrag    in 1998, zodat alle platforms in de Noordzee ontmanteld moeten    worden, hoewel dit verdrag meer ruimte laat dan het Verdrag van    Helsinki dat geldt voor de Oostzee. Een poging in 1996 om    via het Verdrag    van Londen het dumpen wereldwijd te verbieden mislukte.  <\/p>\n<p>    Dit betekent dat er een ontmantelingsmarkt is van enkele    honderden platforms op de Noordzee, hoewel deze markt riskanter    is dan installatie. Aangezien er geen first oil is aan    het einde van het project, is het al snel financieel    aantrekkelijk voor een oliemaatschappij om investeringen naar    achteren te verschuiven. Een aantal methodes en voorstellen    voor ontmanteling zijn gebaseerd op het gebruik van dezelfde    kraanschepen die ook voor installatie werden gebruikt.  <\/p>\n<p>    Andere voorstellen baseren zich vooral op het catamaran-idee,    waarbij tussen de twee rompen ruimte is uitgespaard. Deze    U-vorm kan dan om een dek of jacket geplaatst worden, waarna    ontballast wordt waarmee de constructie gelicht wordt. Andere    voorstellen maken gebruik van hydraulische systemen en    hijsdraden, eventueel gecombineerd. Voorbeelden zijn    Versatruss, de Pieter Schelte van    Allseas, de MPU    Heavy Lifter van het inmiddels failliete MPU Offshore Lift    en de Twin Marine Lifter. Hiervan bestaat alleen de    eerste. De Pieter Schelte is nog in de ontwerpfase, de    MPU Heavy Lifter wordt gesloopt voordat deze is voltooid    en de Twin Marine Lifter is nog in de conceptfase.  <\/p>\n<p>    Maritieme techniek houdt zich bezig met scheepsbouw en    scheepvaart en richt zich ook op het transport van goederen en personen.    Offshore is een vakgebied dat zich uit civiele    techniek (de constructies), werktuigbouwkunde en scheepsbouwkunde heeft ontwikkeld. De    laatste tijd verschuift het vakgebied meer naar de    scheepsbouwkundige kant. Dit omdat offshore olie- en gasvelden    zich op steeds grotere diepten bevinden. Hiermee komt de switch    van 'fixed platforms' naar 'floating platforms'; de laatste    zijn vooral een scheepsbouwkundige aangelegenheid.  <\/p>\n<p><!-- Auto Generated --><\/p>\n<p>See the article here: <\/p>\n<p><a target=\"_blank\" rel=\"nofollow\" href=\"https:\/\/nl.wikipedia.org\/wiki\/Offshore\" title=\"Offshore - Wikipedia\">Offshore - Wikipedia<\/a><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p> Offshore (Engels: weg van de kust), ook wel als buitengaats of aflandig aangeduid, is de aanduiding van activiteiten die plaatsvinden op enige afstand van de kust, meestal gericht op exploratie en winning van olie en gas, maar in toenemende mate ook van windenergie en aquacultuur.  <a href=\"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/offshore\/offshore-wikipedia\/\">Continue reading <span class=\"meta-nav\">&rarr;<\/span><\/a><\/p>\n","protected":false},"author":3,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[187814],"tags":[],"class_list":["post-174438","post","type-post","status-publish","format-standard","hentry","category-offshore"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/174438"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/users\/3"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=174438"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/174438\/revisions"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=174438"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=174438"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.euvolution.com\/prometheism-transhumanism-posthumanism\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=174438"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}